Author Archives: robertopreis

What’s the biggest IT security worry for your business and how are you addressing it?


De blog robertopreis heeft mij tijdens verschillende (niet alle) reizen in de jaren 2008-2010 een mooie gelegenheid geboden gedachten en indrukken aan het scherm toe te vertrouwen en daarmee ook contacten in het vaderland warm te houden.
Nu is er een nieuwe periode voor me aangebroken.
Daarom stop ik met deze blog.

Robert Roijackers

TypePad Conversations » Answer this question!

20 December 2010
By on 22:40
Op naar japan!

Het is rustig en koel in de lounge van ABNAMRO op Schiphol. We zijn zeer op tijd. Floor en Iris zijn het shopping centre van de luchthaven aan het plunderen. Ik geniet van mijn nog steeds effectieve status als preferred banker in weerwil van mijn actuele status als pensionado.

Want dit wordt mijn eerste reis waar ik op de vele papiertjes van landen van binnenkomst als mijn beroep moet aangeven dat ik retired ben. Tot vorige week kon ik het nog afdoen met prepensionado of zoiets dergelijks, maar nu is het doek gevallen. Vrienden hebben me op de dag des onheils gesteund, sommige ten koste van heel wat geestrijk vocht. Ze zijn weer huiswaarts getrokken. Nederland heeft Brazilië naar huis gestuurd. De Tour is Nederland uit. Het is een mooi moment om weer op reis te gaan.

4 July 2010
By on 17:13
trabajo solo

Nicaragua doet zijn best om de enorme milieuvervuiling tegen de gaan. Talloze borden in de steden en op de wegen er naartoe markeren dit beleid. Als je de eindeloze kilometers plastic afval naast de weg ziet, is het duidelijk dat ze met dit beleid nog in de kinderschoenen staan. Maar verander de mentaliteit van de inwoners (en van de producenten en consumenten, zoals ik die elke dag een plastic anderhalve-literfles in de vuilnisbak gooi) maar eens.

Een mooi voorbeeld van het beleid én van de uitvoering zag ik in het Parque Rubén Darió te Matagalpa, de zusterstad van Tilburg. Daar staan naast elkaar vier felgekleurde afvalbakken met daarboven de instructie in welke bak welk afval moet: papier, plastic, organisch en rest. Ik keek erin en zag dat er redelijk (nou ja!) was gescheiden. Toen kwam het vuilnismannetje met zijn kruiwagen, een grote schop en een zeer grote plastic vuilniszak. Met die schop vulde hij de vuilniszak met het afval uit bak geel. Daarna kwam bak rood aan de beurt en vervolgens bak groen en bak oranje. Alle afval in dezelfde zak. Daarna veegde hij de stoep onder de bakken schoon en het zag er allemaal weer picobello uit.

pienso

Over de stoffige zandvlakte vóór de kerk van San Juan Bautista in de wijk Santiavo van León fietst een oudere heer van A naar B. Op de stang van zijn herenfiets zit zijn vrouw; op de bagagedrager is een lege krat vastgebonden met een fietspomp erin. De man reist, weliswaar kort en in verband met zijn levensonderhoud, maar toch.

Onder de boom kijk ik toe en peins: ik reis ook: van A naar B naar Q. Ik reis vaak alleen en nagenoeg steeds uit luxe. En omdat het te warm is om verder te lopen peins ik verder over het alleen-reizen.

Als ik alleen reis, leef ik bewuster. Niets gaat op de automatische piloot. Ik lees onderweg veel; een deel van mijn bagage bestaat uit boeken. Ik schrijf wat en ik ben vooral noodzakelijkerwijze zeer actief in de organisatie van de reis. Maar vooral denk ik veel na over van alles en nog wat. Niemand die me dat belemmert.

Georganiseerde reizen – die ik ook wel maak, omdat ik ergens wil zijn, waar ik nagenoeg niet in mijn eentje kan komen – bieden deze ruimte veel minder. Als ik in georganiseerd verband reis (beter: als ik gereisd word), onderga ik de reis die voor me is uitgestippeld. In theorie kun je je op bepaalde momenten van de groep losmaken en je eigen route verder gaan, maar in de praktijk komt het er niet van. En je ervaringen deel je altijd, met de groep en in elk geval met je kamergenoot.

Alleen-reizen is – zeker in Centraal- en Zuid-Amerika – niet zonder risico. Maar als je voorzichtig bent, je vooral niet opzichtig gedraagt en je niet behangt met dure camera´s en zo, gaat het goed. En een enkele keer gaat het toch fout. Moet je vanwege dat risico met deze vorm van actief reizen stoppen? Ik heb steeds dat kleine risico ingecalculeerd. Voor mij is het de prijs van het ontdekkend reizen.

25 April 2010
By on 18:16
toerend in de schoolbus

Sscn2174De zondvloed was in de nacht over Matagalpa neergestort. Urenlang hoorde ik de vloedgolf over het golfplaten dak van mijn bescheiden onderkomen razen. Het zat er niet in: mijn voorgenomen tocht naar de bergbossen in de omgeving op zoek naar de resplendent quetzal, de wonderschone zeldzame, maar meestberoemde Middenamerikaanse vogel die ik bijna dertien jaar geleden van amper vijf meter afstand heb weten te kieken: van al mijn foto’s die ene waarop ik het meest trots gebleven ben. Geen tocht over de glibberige berghellingen; dan maar naar León.

Daags tevoren had ik mijn tweede strijdplan al gereed: om 9.30 uur zou vanuit het busstation een expressbus naar León vertrekken. Ik gaf daaraan de voorkeur boven een tocht met de volksbus naar Managua, voorts een taxi naar het zuidelijke busstation van deze grootstad – op de heenweg had de jonge chauffeur mij twee poten willen uitdraaien en het is er bij eentje gebleven – en dan weer uren in de afgedankte Amerikaanse schoolbus naar León.

Sscn2177_2 Want daarin rijdt het gewone volk: degelijke, wolken diesel uitbrakende stoere schoolbussen, met voor de gelukkigen rechte zitplaatsen met ruimte voor Amerikaanse kinderknieën. Ze haten hier nog steeds de Amerikanen, maar koesteren hun afgedankte schoolbussen.

Maar vandaag geen schoolbus, nam ik me voor en ik hobbelde met mijn solide reistas op wielen over de loszittende keien en tussen de vijvers van hetgeen wij trottoir zouden hebben genoemd naar het busstation. Daar zette ik mij geruime tijd voor het geplande startmoment van de expressbus naar León neer op het voor reizigers bestemde bankje. Ik wachtte, wachtte en wachtte. Een halfuur na de geplande vertrektijd ben ik toch maar eens gaan informeren. Tja, er was een ‘acidente’ geweest; de expressbus zou niet meer komen; de volgende zal om drie uur ‘s middags waarschijnlijk vertrekken. Toen ik dat hoorde, was het 10 uur in de ochtend.

Wat te doen…… Vragen en vragen. Maar dan blijkt mijn Spaans toch niet voldoende, want uit het geratel van de mij omringende geïnteresseerden kon ik niet opmaken welke bus ik nu wel zou moeten nemen om vandaag nog in León aan te komen.

Plots werd ik door een goedwillende busbegeleider achter in een krakkemikkige schoolbus geduwd met de opdracht goed op mijn reistas te passen die vastgeklemd werd in de stangen van het openstaande achterportier. Ik wist dus niet waarheen en waartoe, maar realiseerde weer dat dit het echte reizen is.

Voor in de bus stond een fanatieke verkondigster van het Woord met harde en indringende stem de noodzaak van het Ware en het Goede aan te prijzen. Maar achter in de bus werd het meteen gezellig. Drie mannen,waarvan één laddderzat, een echtpaar en een koopvrouw met een mand vol lekkers werden deelgenoot in mijn zorgen. Nadat ik eerst uitvoerig in mijn beste Spaans de vrijheidsstaat Nicaragua geprezen had en in het bijzonder de schoonheid van de meisjes van Matagalpa, kwamen we snel ter zake: waar rijdt deze bus in hemelsnaam naar toe? Ik kreeg vijf verschillende antwoorden en men wees op mijn kaartje vijf verschillende plaatsen aan. Toen zijn we samen maar gaan lachen en werden er verhalen verteld die ieder op mij na begreep en die allen zeer amuseerden. Daarbij werd veelvuldig naar mij gewezen. Op een gegeven moment toen ik meende dat ze het over Holanda hadden, ben ik me met het gesprek ging bemoeien. Het dak waaide bijna van de bus, zo’n lol hadden ze. Het bleek dat ze de schoonheden van ene Jolanda bespraken.

Na pakweg een uur stopte de bus bij een driesprong. “Kom mee, eruit!” riepen ze in het Spaans. Het echtpaar, in wie ik nog enig vertrouwen had, stapte ook uit. Het bleek een bekend overstappunt te zijn, want er stonden enige tentjes met koek en zopie langs de weg en er was een enorm bord met het hoofd van Daniel Ortega, de grote baas.

Sscn2178 Het wachten daar in de nu al brandende zon duurde ongeveer een halfuur. Toen kwam weer een schoolbus om de hoek, nu geheel volgepakt met de eigenlijke doelgroep: tientallen in smetteloze blauw-witte schooluniformen gestoken tieners. De bagage ging het dak op en de hele wachtende meute werd de bus ingeduwd. Iedereen paste erin, zij het niet steeds geheel rechtstandig.

Uren duurde de tocht. Scholieren stapten in en uit, maar ook moeders met kinderen, kooplieden, gepensioneerde oude heren. En bij elke stop stormde een meute verkoopsters van etenswaar en drinken in plastic zakjes door het gangpad naar de achteruitgang, daarbij luidkeels de eigen waar aanprijzend.

Uiteindelijk kwam de bus aan op het busstation van het snikhete León. Ik keek op mijn horloge: het was een halfuur eerder dan de geplande starttijd van de tweede expressbus uit Matagalpa. Ik nam een taxi naar het hotel, naar een koude douche en naar een goed middagmaal.

.

21 April 2010
By on 01:53
over de doden …….

De Capilla de Maria Auxiliadora is een in lichtblauw gehulde kerk van de paters Salesianen, een congregatie van een tot voor kort respectabele statuur. Achter deze kerk loopt een straat naar het grote kerkhof van Granada. Daar liggen, zo lees ik in mijn gids, fraaie grafmonumenten. Mijn Keens droegen me reeds het straatje in, toen ik vastberaden de schreden deed wenden: vandaag geen bezoek aan dodenakkers; mijn fotoboeken staan al vol met zerken.

Sscn2160 Ik vervolgde mijn weg door de smalle straten van de oude koloniale stad en botste nagenoeg meteen op een winkel in grafbenodigdheden: je moet natuurlijk je stiel beoefenen waar de meeste klandizie is. Naast de winkel stond een man met fraai getatoeëerde borst een doodskist in de vernis te zetten. Ik had me voorgenomen mijn uit de krochten mijner hersenpan opgedoken vocabularium in de schone Spaanse taal op de lokale bevolking los te laten en begon een gesprekje. De man was niet zeer spraakzaam, maar wel vriendelijk. Hij opende het deurtje in de deksel van de kist om me de binnenkant te tonen. Op de glazen ruit lag ter bescherming een krant. Ik vroeg natuurlijk of die voor de geachte overledene bestemd was, maar hij vatte mijn gevatheid niet.

Sscn2161 Hierbij bleef het niet. Zaterdag is blijkbaar de dag van de uitvaarten, want ik heb tenminste driemaal een lijkstoet zien passeren. Eigenlijk tweemaal, want één keer liep ik van opzij een kerk in, waar ineens een aantal kerkgangers met ernstige gezichten ging staan. Ik keerde me ook naar de uitgang en ja hoor: daar droegen vier heren een uitbundig bewerkte doodskist naar de voet van het altaar. Het luikje in de kist werd geopend en het ganse kerkvolk kwam een kijkje nemen of de overledene er fraai bij lag. De weduwe liet zich intens condoleren en ging daarna nog zelf over het gangpad gasten begroeten die minder goed ter been waren.

Ik verliet de kerk en vervolgde mijn pad. Granada is een heerlijke stad om door te slenteren. Er zijn veel interessante plekjes, maar ook de gewone straatjes laten veel moois zien. Ik ben wel steeds benieuwd wat er achter die grote poorten is, want meer dan eens vang ik een glimp op van een schitterende en rijkelijk begroeide binnenplaats.

Ik heb me voorgenomen op elke plaats in Nicaragua drie dagen te verblijven. Dan heb je de mogelijkheid om ook iets meer van de stad of de omgeving te zien. Gisteren was het te heet om een fiets te huren en de omgeving te bekijken. Maar morgen ga ik de veel koelere bergen in en dan ga ik zeker de stad uit. Na enig getwijfel heb ik besloten om naar Matagalpa en niet naar León te gaan. León is een net zo mooie koloniale stad als Granada, maar ik heb slechts tien dagen in dit land en ik wil toch iets meer zien dan de oude cultuur van moord en brandstichting. Matagalpa is het centrum van de koffieteelt; de bevolking van het gebied rondom Matagalpa is gericht op landbouw en het zal er minder toeristisch zijn dan in Granada. En het is – voor een bewoner van Breburg niet onbelangrijk – de stad waarmee Tilburg een stedenband heeft. Ik mis wel net het feest van herinnering dat Matagalpa in de stadstand werd verheven, maar je kunt niet alles hebben.

18 April 2010
By on 00:27
Sic transit gloria mundi

Voor me het Theatro Nacional, het enige gebouw in deze stad dat enigszins de moeite waard is. Ik zit op de artistiek gedrapeerde metalen buizen die een bank vormen voor de vermoeide passanten. Vóór me duizenden duiven en naast mij links en rechts twee heren. Ruim  twaalf en een halfjaar geleden was dat wel anders.


Sscn2145In augustus 1997 was ik in Costa Rica. Dat jaar had ik ook de Nijmeegse Vierdaagse overleefd en ik had mijn wandelvriendin-voor-één-dag beloofd haar een zelfgemaakte foto van de quetzal op te sturen. Ik toerde door het prachtige land van park naar park. Op een gegeven moment zat ik in een warmwaterbad op de helling van de vulkaan Arenal. Naast mij zaten twee Japanse dames gezellig te keuvelen. Ik werd uitgenodigd ook iets te zeggen. Het waren moeder en dochter. De dochter had een artistiek beroep in New York waar ze samen met haar vriend leefde. De moeder woonde in Japan, sprak geen woord buiten de deur en was hier met haar man, die mokkend in het hotel aan de voet van de berg was achtergebleven, want het baden van vrouwen in een openbaar warm bad was immers tegen elk Japans gevoel voor vormen. De dochter die de ouders dus op sleeptouw had genomen, vertelde dat ze de volgende dag in het theater van San José een folkloristische voorstelling zouden gaan bijwonen. Ik zei dat ik ook naar San José zou gaan en zo’n voorstelling leek me wel iets. We namen afscheid met een Misschien-tot-morgen.


De volgende dag zat ik daar op de bank voor het Theatro Nacional te bedenken of ik ’s avonds daar wel naar toe zou gaan. Alleen is dan toch maar alleen, zeker als je bijna niets van de taal verstaat.

Naast mij zat een prachtige tica met kennelijk vermoeide voeten voor zich uit te kijken. Met mijn twee woorden Spaans sprak ik haar aan, uiteraard over het theater. Zij vertelde me er een en ander over, en omdat ik er in mijn gids over gelezen had, kon ik haar min of meer volgen. Toen ging ik over naar de volgende fase: “Weet je dat er vanavond een mooie voorstelling is?” “Si,” antwoordde ze. “Heb je zin om daar met me naar toe te gaan?” “Si”, antwoordde de schoonheid en ze vertelde me ook dat ze Julie heette, Ik rondde het gesprek af en schoot steelsgewijs de koopstraat in, want had slechts outdoor kledij bij me en dat is geen zicht naast deze prachtige vrouw in het nationale theater van Costa Rica.


We hadden afgesproken in het theatercafé en daar was ze ruim op tijd. We converseerden even of wat daarvoor doorging en toen zag ik de beide Japanse dames en de oude heer. Ik liep op hen toe en stelde Julie voor. “Wat lap je me nou!”, sprak de jongste. “We hebben gisteren in het bad over van alles gekletst en jij vertelt me niet eens dat je een zo prachtige Costaricaanse vriendin hebt”. Ik mompelde dat ik Julie ook nog niet zo heel lang kende en dat was geheel naar waarheid gemompeld.


De avond was mooi met zang en dans en met veel humor, waar Julie zeer van genoot. Ik beloofde haar voor mijn vertrek naar Nederland op haar werk in het centrum van de stad – ze was office manager op een soort uitzendbureau – te bezoeken. Ik had voor haar een boekje Spaans-Engels gekocht en zij had een oud bankbiljet van vijf Colon met daarop de afbeelding van de fresco in het plafond van de foyer van het Theatro Nacional. Einde Julie, dacht ik.


In de loop van de jaren kreeg ik zo nu en dan een berichtje van haar. Ik antwoordde nooit, op één keer na. Twee jaar geleden schreef ik haar in mijn beste Spaans een briefje, waar ik de herinnering van toen ophaalde, iets over mijn leven in Nederland vertelde en haar zei dat ik zeer zeker voorlopig niet naar Costa Rica zou komen.


Dat het anders kan lopen, bewijst dat ik hier weer zit, op dezelfde plaats, vóór het Theatro Nacional, nu met ter linker en ter rechter zijde een heer. Ik wilde naar Nicaragua en de beste en goedkoopste weg leek me om via San José te gaan.

Ik heb Julie nog even gemaild dat ik een dag in San José zou zijn, maar zij antwoordde niet meer. Gelijk heeft ze.

Sic transit gloria mundi, nietwaar?

14 April 2010
By on 00:46
afscheid van de camarero

Het verblijf van een kleine zeven weken in Argentinië levert veel strijdige gevoelens op. Ik heb veel vriendelijke mensen ontmoet, interessante locaties en indrukwekkende watervallen bezocht, en genoten van intense muziek. Maar ik heb ook buiten de commerciële en toeristische centra in de grote steden een verslonsde en vervuilde leefwereld gezien die kenmerkend is voor derde-wereldlanden. En dan die daklozen, vooral in Buenos Aires en de hemeltergende villas de miserias, de wijken waar je beter niet te voet en zeker niet na het invallen van de duisternis moet komen.

In Buenos Aires zetten de mensen hun huisvuil en grote gesloten plastic zakken aan de straatkant neer. ‘s Nachts komen dan de vuilophalers. Maar dan zijn de meeste zakken al opengereten en doorzocht op iets bruikbaars. De niet-interessante inhoud slingert dan verspreid over de stoepen en de straat.

Ik heb veel mensen gesproken die zeer lijden onder de corrupte desinteresse van de overheid en onder de hopeloze bureaucratie. Unaniem laakt men de opgeblazen zelfgenoegzaamheid van Macri, de opperbaas van Buenos Aires, en ook Cristina Kirchner, de presidente, krijgt geen goed woord. En de politie…… “Als je beroofd bent, heb je één probleem en als je daarvoor naar de politie gaat, heb je er twee.”

Sscn1887 Maar wat heb ik genoten van de vele avonden in het restaurant! Na negen dagen vertoefd te hebben in het gastgezin van Julia, slapend in die groot uitgevallen werkkast vol spullen van een ander en ’s avonds zittend aan de piepkleine keukentafel in het net zo piepkleine keukentje met een karige dis van visburgers met sla of iets dergelijks, waren de restaurants in de zes weken daarna een verademing voor de geest en de papillen, maar helaas niet steeds voor de spijsvertering. Want vegetarisch eten is er niet bij. De parrillas, pollos en de bifes de lomo, weggespoeld met sprankelend bronwater en Argentijnse vino liggen ’s nachts – want er wordt zeer laat gedineerd – soms iets te zwaar op de maag.

Edoch, wat een feest waren de avonden daar! Ik heb nagenoeg elke avond de cena in een lokaal etablissement genoten. Steeds een ander en steeds een variatie op hetzelfde thema.
Ik koos mijn restaurants zorgvuldig uit. Het zijn de restaurants van de localen. Toeristen zie je er nagenoeg niet. En daar vind je ook de echte camareros, de obers van middelbare of hogere leeftijd, gestoken in zwarte pantalons, vaak met zwart voorschoot en een zwart vest en met een hagelwit overhemd. Op veel van die heren heb ik mijn Spaans losgelaten, zeker als ze met een Engelstalige menukaart aankwamen: “Nee, leg het maar uit in het Spaans; dan leer ik er wat van.”

Sscn1888 Op een bepaalde manier zijn ze bijna allemaal leuk. De senioren hebben meestal wat meer stijl en gedragen zich wat dwingender, maar de jongeren (wel minimaal veertigers, hoor) zijn veel communicatiever. En de meesten hebben een leuk gevoel voor humor, waarop ik natuurlijk inspeel.

Dit alles geldt niet voor de oudere, vaak enigszins chagrijnig kijkende baas achter de toog. Steeds als een camarero uit de keuken met de zoëven bereide schotels aankomt, moet hij langs de baas met de rekenmachine, die dan de borden controleert en de bestelling als afgeleverd noteert.

Het eten is voor onze begrippen zeer goedkoop. Ik was steeds, afhankelijk van de drank en eventueel toetje, tussen de 50 en 100 pesos kwijt: 8 à 10 euro. Kom daar maar eens voor in een eenvoudig vaderlands restaurant.

Het moment suprême is natuurlijk de afrekening. Want op iedere nota hoort een toeslag voor het personeel, de propina, in grootte afhankelijk van de tevredenheid van de klant. Ik betaalde steevast 10% extra. En altijd namen we als vrienden afscheid.

10 December 2009
By on 21:31
De helden van de Malvinas

Een land dat probeert op te klimmen uit het dal na jaren van dictatuur en grote economische recessie laat diepe sporen achter in de harten van de mensen die er leven. Deels komen die tot uiting in de media, maar veel leed vertoeft vaak in het verborgene.

Ik zag een man met één been. HSscn1788_3ij leunde op een looprek en probeerde stapje voor stapje op de stoep verder te komen. Het ging nauwelijks omdat in Argentinië alle stoepen buiten het luxueuze stadscentrum nauwelijks begaanbaar zijn voor mensen met twee normaal functionerende benen, en niet te overwinnen door mensen met een fysieke handicap. Ik dacht: “Misschien is dit wel een held van de Malvinas”.

Sscn1787_2 De veteranen van de Malvinas zag ik voor het eerst op het Plaza de Mayo. De dwaze moeders draaien er niet meer hun wekelijkse rondjes; de op het plein geschilderde witte hoofddoeken vervagen langzaam. Maar de veteranen zijn er wel. Ze hebben hun tenten opgeslagen en vragen het publiek om aandacht voor hun lot.

Ik herinner me nog goed hoe in april 1982 het verfoeilijke Argentijnse regiem in een laatste stuiptrekking de Falklands op de Britten veroverde en de eilandengroep na ruim een maand – 891 dode militairen: 236 Britten en 655 Argentijnen en enorme materiële en landschappelijke schade – weer aan de Britten moest laten. Het regiem viel en Thatcher won met overmacht de verkiezingen van 1983.

Het woord Falklands kennen ze in Argentinië niet. Op elke in Argentinië vervaardigde landkaart, zowel de wereldkaarten als kaarten van het land zelf, heet die eilandengroep Malvinas, en ten overvloede staat er nog achter gedrukt: (Arg.).

Sscn1784 De Malvinas, een paar rotseilandjes in de koude Antarctische zee, bewoond door nog geen 3000 Britten en veel schapen, zeehonden en zo, leven enorm in het Argentijnse volk. Reisbureaus, busondernemingen en allerlei andere organisaties heten Malvinas. In elke stad staat wel een monument van de helden van de Malvinas, met dappere krijgers die onvervaard bittere kou en Brits geschut trotserend de Argentijnse vlag in de hoogste rotspunt prikken. Heldendom viert hoogtij in landen als Argentinië.

Sscn1785 Maar hoe zit het met de helden zelf, althans met de voormalige krijgers die de strijd in de ijszee hebben overleefd, al dan niet voor het leven verwond? De veteranen op het Plaza del Mayo zijn duidelijk: “Het gaat niet goed met ons: wij willen aandacht!”

Natuurlijk heb ik mijn zegsvrouwe geraadpleegd: “¿Ana, wat hebben de achtereenvolgende democratische regeringen daadwerkelijk voor de veteranen van de Malvinas gedaan?” Het antwoord was kort: “¡Nada!”

Sscn1786 Het treurige en voor normale mensen verwarrende verschijnsel doet zich voor dat op de spandoeken van de veteranen staat dat de Malvinas Argentijns zijn en moeten blijven. De veteranen zijn geslachtofferd voor de opportunistische politiek van hun leiders en die van hun tegenstander; ze zijn verlaten en vergeten en vragen aandacht voor hun lot. Maar de zinloze strijd om een paar rotspunten – ook nog tamelijk ver verwijderd van hun land, maar geen 10.000 kilometer zoals van Groot-Brittannië -, de strijd die hun leven en dat van hun verwanten heeft verwoest, staat voor deze mensen buiten iedere discussie: de Malvinas zijn en blijven Argentijns.

Je moet als held toch ergens in blijven geloven.

28 November 2009
By on 21:27
El Boliche de Roberto

Mi profesora Ana is niet alleen aardig, maar ze is ook geboren en getogen in Buenos Aires, een echte porteña dus. Veel van onze gespreksonderwerpen tijdens de les gaan dan ook over zaken die hier spelen: de crisis, de arbeidsonlust, de politiek, maar ook de plekjes waar de echte tango wordt gespeeld en waar de toeristen geen weet van krijgen. Ana is goud voor me.

Zo heeft ze me gewezen op een kroegje niet ver van de school, waar diep in de nacht tango weerklinkt, gezongen en gespeeld op een gitaar, geen dansen. Het cafeetje draagt mijn naam: El Boliche de Roberto. Dus ik ernaar toe.

Het is een hok van 15 bij 5 meter, met verspreid tafels en stoeltjes. Op schofthoogte zijn de bakstenen muren zichtbaar gemaakt door het stucwerk heen: een donkerbruine kroeg met een grote toog, voetbal op de tv en op de achtergrond tangomuziek. Het is er nog niet druk als ik om kwart voor tien binnenkom. Op een klein verhoog twee stoeltjes. Ik installeer me naast het podiumpje en bestel een liter Isenbeck premium uit Argentinië. Ik ben er helemaal klaar voor.

Omdat het wachten tot de eerste sessie (gepland om 23.00 uur, maar in Buenos Aires kijken ze niet op een kwartiertje) nog een tijdje zal duren, haal ik mijn sudoku-boekje te voorschijn en probeer nu eindelijk die vier-sterren-sudoku op te lossen die me al dagen dwars zit.

Langzamerhand verandert de samenstelling van de bezoekers in het etablissement. De voetballiefhebbers en enkele oudere mensen aan een tafeltje vertrekken en de kroeg begint al aardig vol te lopen met jonger publiek. Het loopt tegen elven. Een half uur later loopt het tegen half twaalf en het is gezellig druk en blijkbaar vraagt niemand zich af of er vannacht nog gespeeld en gezongen wordt. Sscn1789 Toch maken op een gegeven moment een jongen en een meisje zich los uit het publiek en bestijgen het kleine verhoog naast me. De jongen speelt en het meisje zingt, lied na lied. Het publiek is stil en neuriet sommige ballades zachtjes mee.

Het is kleine muziek, net hoorbaar, behalve wanneer de bussen met geraas voorbijkomen en hun walm door het open raam het café inblazen. De muziek is veel verfijnder dan ik tot nu toe ken. Ik versta er geen woord van, maar de ziel van de tango komt wel bij me binnen.

Dan is het ineens afgelopen. Uit de luidsprekers klinken blues en het meisje gaat met de pet rond. Op het bord achter de toog lees ik dat er om kwart over twaalf nog een duo komt. Welnu, dat duurt niet lang meer. Dus ik richt me weer op mijn sudoku.

Het wordt half één, kwart voor één, één uur. De kroeg is stampvol. Velen moeten blijven staan, maar ik zit lekker achter mijn slinkende liter bier en mijn onoplosbare sudoku.

Twee mannen in chique zwart pak, met gepoetste schoenen en

prachtige stropdassen dringen zich naar voren en doen bijzonder enthousiast. Blijkbaar zijn ze bekend, want niemand kijkt ervan op. Wie het zijn, kan ik niet achterhalen, maar het zijn voorbodes.

Kopie_van_dscn1791_2

Want ineens komen uit het niets twee heren van middelbare leeftijd te voorschijn, elk met een gitaar. Ze gaan het podium op, zetten beiden een been op het stoeltje voor hen en onmiddellijk klinkt er een prachtige, diepdroevige tango. Het publiek is muisstil. Als het lied is geëindigd, organiseert de schreeuwlelijkste stropdasdrager een enorm applaus en neemt voor de rest van het recital de regie van de ovaties in de hand.

Naast me zit een dame rustig te luisteren. Sommige liederen zingt ze zachtjes mee. Ik durf al wat in het Spaans te zeggen en fluister haar toe dat ik er niets van versta, maar dat ik zeker weet dat het over onbereikbare liefde, hartstocht en diepe zielenpijn gaat en zij zegt dat ik het helemaal heb begrepen.

De stropdasser blijkt jarig te zijn. Hij wordt toegezongen en mag ook een tango zingen. En dat doet hij niet eens zo slecht. Als de beide gitaristen verder gaan, wordt het auditorium steeds wilder en enthousiaster. Deze liederen kennen ze; ze zingen die ook soms hard, soms zachtjes mee. En de avond duurt nog lang.

Rond een uur of half drie pak ik mijn biezen. En terwijl ik met een taxichauffeur onderhandel, hoor ik de muziek achter me en lees ik de tekst op een krijtbord naast de kroeg: no se puede comprender lo que no se puede sentir (je kunt niet begrijpen wat je niet kunt voelen).

Zo is het maar net!


By on 19:40
Iguazú

Op weg naar het noordelijkste deel van Argentinië heb ik een aantal dagen doorgebracht in het rustige, maar ietwat saaie grensstadje Posadas. Van hieruit heb ik enkele misiónes bezocht, de legendarische missieposten van de Jezuïeten uit de 17e eeuw. Voor een ervan moest ik naar Paraguay, een expeditie met lokale bussen die me nog jaren zal heugen.

De Jezuíeten hebben indertijd voor een poosje de Guaraní-indianen uit de klauwen van de kolonialen weten te houden. Nadien zijn deze indianen toch nog voor het grootste deel uitgemoord. Momenteel leven er nog enkele in Paraguay. Een ervan zat met haar kleedje vol handvaardigheid voor zich bij de uitgang van de voormalige missiepost Santa Trinidad del Paraná. Ter herinnering aan mijn bezoek kocht ik bij haar een houten beeldje van een veel voorkomend diertje, de coatis. Op een levend exemplaar van dit beestje kom ik nog terug.

Het centrum van Posadas ligt op een heuvel; mijn hotelletje lag een stuk lager. In Posadas heb ik weer eens ervaren wat onder een goede regenbui moet worden verstaan. Wolkbreuk na wolkbreuk met donder en bliksem. En het water kolkte straatafwaarts. Schuilend in portieken en onder balkons, springend over de juist ontstane bergbeekjes heb ik mijn legerstede weten te bereiken. En het bleef regenen, ook de vijf uren in de bus naar Puerte Iguazú, waar de echte watervallen op mij wachtten. En daar was het droog en bleef het droog.

Sscn1716 De cataratas van Iguazú zijn wereldberoemd. Ik dacht dat ze op mij niet zoveel indruk zouden maken. Ik heb immers jaren geleden in Zimbabwe de Victoria-watervallen – de grootste op deze wereld – mogen aanschouwen. Ik heb zelfs de overmoed gehad om op de verjaardag van mijn moeder daar te gaan raften zonder helm op. Tegen die adrenaline-stoten kan geen waterval ter wereld op, dacht ik.

Dat klopt wel, maar vooral omdat ik ouder en iets wijzer ben geworden. Ik heb het nu gehouden op een wandeling naar de duivelskloof, terwijl de hele meute – het is wel net de Efteling hoor, en je hoort er behoorlijk wat Nederlands om je heen – met het eco-treintje ging. Die wandeling van pakweg drie kwartier was heerlijk. Niemand op het pad, af en toe een beestje dat overstak (een paar keer een capibari of zoiets: zo’n grote rat die ook iets van een konijn heeft) en heel veel vlinders rondom me.

Op het eindpunt kwam net een volgestouwde eco-trein aan en die spuwde ongeveer een miljoen dagjesmensen de loopbrug over. Ik ben maar een halfuurtje wat gaan drinken. En ja hoor, toen ik na dat halfuur langzaam de loopbrug opliep, die wel een kilometer lang over de meest gevaarlijke stromingen en kleine cataracten voert, kwamen ze met zijn allen terug. En toen had ik met ongeveer veertig anderen even het rijk alleen op het uitzichtpunt bij de duivelskloof.Sscn1715 En dit uitzicht was overweldigend! Per seconde donderen daar miljoenen liters rivierwater via verschillende watervallen de kloof in. Ik heb het proberen te filmen en te fotograferen, maar je kunt het beter ondergaan. Ik herinner me de Vic Falls ook nog goed, maar het verschil is wel dat je toen tegen de waterval keek en hier keek je er bovenop en er tegen. Je staat er met je neus bovenop en je hebt het gevoel dat je er in zit. Letterlijk overdonderend is het!

Het park heeft aan de Argentijnse kant nog talloze mogelijkheden om de watervallen van verschillende kanten te zien. Het zijn er dan ook meer dan vijftien.

Intussen was het lunchtijd; zelfs iets daarna, want er was niet veel meer over in de koeling van het winkeltje. Ik besloot het broodje buiten te nuttigen. En daar liepen die beestjes rond te snaaien, ik bedoel de coatis van hierboven. Sscn1714 Het volk maar aaien, terwijl ik geleerd heb dat je wilde dieren – wat dat blijven het – nooit moet aanraken en voeren. Het beestje maar snuffelen om de tafeltjes heen en met zijn lange snuit had hij spoedig in de smiezen dat er bij mij wel wat te halen viel. Ik zette mijn rugzak al op tafel en joeg met mijn behaarde been het wel erg vrijpostige beestje van me weg. “Zo, dat is weer knap en met dierenliefde verricht”, dacht ik nog terwijl het brutale beest met een plotselinge sprong op mijn tafel terecht kwam en het heerlijke broodje wegsnaaide. Ik reageerde onmiddellijk door het blauwe dienblad naar het mormel te gooien. Het beest vluchtte en ik raapte het broodje onder applaus van de duizend omstanders op en hapte erin alsof er niets gebeurd was.

Er is tegenwoordig geen ontzag meer voor de ouder wordende mens. Tismewat!

16 November 2009
By on 20:50