toerend in de schoolbus
De zondvloed was in de nacht over Matagalpa neergestort. Urenlang hoorde ik de vloedgolf over het golfplaten dak van mijn bescheiden onderkomen razen. Het zat er niet in: mijn voorgenomen tocht naar de bergbossen in de omgeving op zoek naar de resplendent quetzal, de wonderschone zeldzame, maar meestberoemde Middenamerikaanse vogel die ik bijna dertien jaar geleden van amper vijf meter afstand heb weten te kieken: van al mijn foto’s die ene waarop ik het meest trots gebleven ben. Geen tocht over de glibberige berghellingen; dan maar naar León.
Daags tevoren had ik mijn tweede strijdplan al gereed: om 9.30 uur zou vanuit het busstation een expressbus naar León vertrekken. Ik gaf daaraan de voorkeur boven een tocht met de volksbus naar Managua, voorts een taxi naar het zuidelijke busstation van deze grootstad – op de heenweg had de jonge chauffeur mij twee poten willen uitdraaien en het is er bij eentje gebleven – en dan weer uren in de afgedankte Amerikaanse schoolbus naar León.
Want daarin rijdt het gewone volk: degelijke, wolken diesel uitbrakende stoere schoolbussen, met voor de gelukkigen rechte zitplaatsen met ruimte voor Amerikaanse kinderknieën. Ze haten hier nog steeds de Amerikanen, maar koesteren hun afgedankte schoolbussen.
Maar vandaag geen schoolbus, nam ik me voor en ik hobbelde met mijn solide reistas op wielen over de loszittende keien en tussen de vijvers van hetgeen wij trottoir zouden hebben genoemd naar het busstation. Daar zette ik mij geruime tijd voor het geplande startmoment van de expressbus naar León neer op het voor reizigers bestemde bankje. Ik wachtte, wachtte en wachtte. Een halfuur na de geplande vertrektijd ben ik toch maar eens gaan informeren. Tja, er was een ‘acidente’ geweest; de expressbus zou niet meer komen; de volgende zal om drie uur ‘s middags waarschijnlijk vertrekken. Toen ik dat hoorde, was het 10 uur in de ochtend.
Wat te doen…… Vragen en vragen. Maar dan blijkt mijn Spaans toch niet voldoende, want uit het geratel van de mij omringende geïnteresseerden kon ik niet opmaken welke bus ik nu wel zou moeten nemen om vandaag nog in León aan te komen.
Plots werd ik door een goedwillende busbegeleider achter in een krakkemikkige schoolbus geduwd met de opdracht goed op mijn reistas te passen die vastgeklemd werd in de stangen van het openstaande achterportier. Ik wist dus niet waarheen en waartoe, maar realiseerde weer dat dit het echte reizen is.
Voor in de bus stond een fanatieke verkondigster van het Woord met harde en indringende stem de noodzaak van het Ware en het Goede aan te prijzen. Maar achter in de bus werd het meteen gezellig. Drie mannen,waarvan één laddderzat, een echtpaar en een koopvrouw met een mand vol lekkers werden deelgenoot in mijn zorgen. Nadat ik eerst uitvoerig in mijn beste Spaans de vrijheidsstaat Nicaragua geprezen had en in het bijzonder de schoonheid van de meisjes van Matagalpa, kwamen we snel ter zake: waar rijdt deze bus in hemelsnaam naar toe? Ik kreeg vijf verschillende antwoorden en men wees op mijn kaartje vijf verschillende plaatsen aan. Toen zijn we samen maar gaan lachen en werden er verhalen verteld die ieder op mij na begreep en die allen zeer amuseerden. Daarbij werd veelvuldig naar mij gewezen. Op een gegeven moment toen ik meende dat ze het over Holanda hadden, ben ik me met het gesprek ging bemoeien. Het dak waaide bijna van de bus, zo’n lol hadden ze. Het bleek dat ze de schoonheden van ene Jolanda bespraken.
Na pakweg een uur stopte de bus bij een driesprong. “Kom mee, eruit!” riepen ze in het Spaans. Het echtpaar, in wie ik nog enig vertrouwen had, stapte ook uit. Het bleek een bekend overstappunt te zijn, want er stonden enige tentjes met koek en zopie langs de weg en er was een enorm bord met het hoofd van Daniel Ortega, de grote baas.
Het wachten daar in de nu al brandende zon duurde ongeveer een halfuur. Toen kwam weer een schoolbus om de hoek, nu geheel volgepakt met de eigenlijke doelgroep: tientallen in smetteloze blauw-witte schooluniformen gestoken tieners. De bagage ging het dak op en de hele wachtende meute werd de bus ingeduwd. Iedereen paste erin, zij het niet steeds geheel rechtstandig.
Uren duurde de tocht. Scholieren stapten in en uit, maar ook moeders met kinderen, kooplieden, gepensioneerde oude heren. En bij elke stop stormde een meute verkoopsters van etenswaar en drinken in plastic zakjes door het gangpad naar de achteruitgang, daarbij luidkeels de eigen waar aanprijzend.
Uiteindelijk kwam de bus aan op het busstation van het snikhete León. Ik keek op mijn horloge: het was een halfuur eerder dan de geplande starttijd van de tweede expressbus uit Matagalpa. Ik nam een taxi naar het hotel, naar een koude douche en naar een goed middagmaal.
.

22 April 2010 at 13:28
Hallo Robert,
Wat heerlijk om weer je reisverhalen te lezen. Het echte reizen gaat je goed af!
Veel plezier.
Groeten, Marijke
22 April 2010 at 22:32
Robert, Goeie reis en veel schrijfgenoegen!